Evmico » Debates

Tuur & de literatuur

 
  • Ottodebeste said:
    Buiten komt hij nauwelijks - tenzij om bier te hijsen met de vrienden.


    Dat kabn binnen toch ook prima... ik heb me net twee Affligem Tripel ingekocht om zodadelijk emt een vriend van em soldaat te maken.

    Maar er is dat hoofd, waar hij zelf zijn verhaal kan schrijven. Een verhaal dat zich niets aantrekt van conventionele verteltechnieken


    Die opmerking is denk ik breder te trekken, denk niet dat dat alleen van belang is op iemand die toevallig een boek wil schrijven.. die heeft het alleen iets concreter gemaakt.. Iedereen schrijft denk ik in zijn hoofd een ander verhaal dan wat er om hem/haar heen gebeurt... maar welke van de twee meer waard is.. of welke van de twee echter is... ik durf me er niet over uit te laten..



  • Ik maak mezelf graag wijs dat ik binnenkort "Kwantum" van Majit Kumar wil lezen. Het zou een "heldere geschiedenis" zijn van een (voor mijn bevattingsvermogen) enorm complexe wetenschappelijke theorie.

    Kan allemaal goed zijn - maar dit weekend vond ik een nieuw excuus om "Kwantum" aan de kant te leggen: het boekje "Wielergeluk" van Peter Winnen.

    Winnen won in de vroege jaren tachtig tweemaal een rit op Alpe D'huez tijdens de Ronde van Frankrijk. Werd derde in het algemeen klassement van '83.

    Wielrennen draait om het verhaal - niet om het verzet. En laat Winnen nu 'ns een schitterende verteller zijn. "Wielergeluk" betreft een verzameling columns.

    "Nou, nou - alwéér columns. Alweer iemand die zich geroepen voelt zijn visie te delen met de wijde wereld."

    zou u kunnen opwerpen. Alleen - sommige visies zijn simpelweg aangenaam om lezen. Zo ook met Peter Winnen.

    Geen doorwrochte analyses à la Michel Wuyts bij Winnen. Hij bekijkt het allemaal wat lichtvoetiger en net daardoor komt hij tot een lentefris boek als "Wielergeluk":

    "Mijn jongste zus kwam na jaren van studie over uit de Verenigde Staten. Pas toen ze het in het straatbeeld terugzag, wist ze opeens hoezeer ze het had gemist: een paar stronken prei die uit een boodschappentas steken. Het gaf haar een warm gevoel ..."


    Het is de aanvang van een stukje waarin Winnen het over geluk heeft, zijn wantrouwen voor het woord "geluk" ("Het lijkt op een keurmerk, of erger nog, een maatschappelijke eis: wees gelukkig of ik schiet!") - en besluit met:

    "Ik ben erg gelukkig na een forse fietstocht. En daar dan een paar bier achteraan onder gelijkgestemden, liefst in het zonnetje en uit de wind. Duvel is mijn favoriete merk. Want wie het kleine geluk zoekt, doet het niet met slappe pilsener uit de zuinige Hollandse tap, die gaat voor het hoogste. En die houdt zich niet bezig met promillages, die ouwehoert in bijbeltaal.
    Een pak shag binnen handbereik, natuurlijk. Klein geluk soort zich niet aan opschriften als "ROKEN BRENGT ERNSTIGE SCHADE AAN"


    Die lichte toets zonder dat banaliteit om de hoek komt loeren - dat is Peter Winnen. Net omdat hij zich niet ophoudt in de periferie van het wielrennen - komt hij in een paar zinnen tot karakterschetsen van wielrenners waar andere commentatoren en sportjournalisten oeverloos krantenartikels en televisieminuten aan spenderen:

    "Behalve in het allerhoogste gezag in de hemel gelooft Alberto Contador alleen in zichzelf. Weer een kwaliteit die een sportman groot maakt. En hij begrijpt alleen zichzelf omdat alles wat er in de wereld gebeurt hem totaal ontgaat. Hij is het brave burgermannetje dat in de habitat achter zijn voordeur in een leeuw verandert."

    Mooi is ook de manier waarop Winnen zijn overleden moeder laat opduiken tussen zijn teksten - nergens belijdt hij het "grote verdriet", maar met zinnen als:

    "Op derde kerstdag tilden we het lichaampje voorzichtig in een kist. Voordat we het deksel erop schroefden, stopten we het, iets minder uitbundig dan de oude Egyptenaren het deden, wat dingetjes toe voor onderweg, en nog wat andere symbolische voorwerpen. Ik drapeerde de witte trui uit mijn eerste Tour de France over de voeten - een podiumtrui met klittenbandsluiting op de rug en grote reclamestickers op de borst. Haar steelse trots en vurig DNA zaten erin. Vandaar."

    Wielrennen is soms meer dan sport.



  • Tim Harford presenteert op de Britse radio een programma waar hij ingaat op vragen als: "Is het veiliger om te fietsen zonder helm?" of "Is nutteloos onderzoek wel écht nutteloos?". Hij brengt economie en statistiek in een sobere, alledaagse taal met een nageltje humor. Een beetje de Koen Fillet van Groot-Brittanië zeg maar.

    The undercover economist is het soort boek dat via lichtvoetigheid een hoop zogenaamd "onbegrijpelijke" economische zaken in een ander daglicht plaatst, waardoor je iets denkt te snappen van hoe economie werkt in onze levens. U kunt ze waarschijnlijk, mensen die wiskunde "een uitvinding van Hitler" vinden en statistiek "dode materie". Raar toch, we leven in een maatschappij waar analfabetisme een gotspe is - maar waar het haten van wiskunde en statistiek soms wordt bejubeld al was het een heuse prestatie.

    Harford ziet statistiek als een middel om duidelijkheid te scheppen, om aan te tonen dat een uitspraak als: "Arme landen vervuilen meer door de globalisatie" klinkklare nonsens is:

    In other words, foreigners are bringing dirty industries to the United States, but American companies are bringing clean industries to the world.

    You may have blinked a little when you read that last paragraph. To those brought up on a diet of environmentalist guilt, those statistics seem insane. They are not so insane when you consider that poor countries produce goods like clothes, children's toys and coffee, while the seriously polluting industries like bulk chemical production require high levels of skill, reliable infrastructure and - since a lot of capital investment is involved - political stability. Why jeopardise that by moving the plant to Ethiopia to save a few dollars on environmental costs?

    (we zullen het woord "clean" maar met een zakske zout nemen, zeker? ;-) )

    Hoogst vermakelijk is het hoofdstuk "What supermarkets don't want you to know" waarin Harford koffiedrinken onder de loep neemt. Hij vraagt zich af waarom een kop koffie in London 2 à 4 pond moet kosten - terwijl bij een bedrag van 60 à 70 pennies reeds winst wordt gemaakt.

    Starbucks ... u wist dat we in die buurt gingen belanden, nietwaar? ;-)
    :

    Take a Starbucks, any Starbucks. For the sake of the argument, take the Starbucks on the Strand in London. The price list looks like this:

    cappuccino £ 1,85
    Hot chocolate £ 1,89
    Café mocha £ 2,05
    White chocolate mocha £ 2,49
    Venti white chocolate mocha £ 3,09

    Or, to translate:

    cappuccino - no frills £ 1,85
    Hot chocolate - no frills £ 1,89
    Mix them together - I feel special £ 2,05
    Use different powder - I feel very special £ 2,49
    Make it huge - I feel greedy £3,09

    Starbucks isn't merely seeking to offer a variety of alternatives to customers. It's also trying to give the customer every opportunity to signal that they've not been looking at the price ...

    Does this mean that Starbucks is overcharging all of its customers? No. If so, a regular cappuccino or hot chocolate would cost £ 3 ... Perhaps Starbucks would like to do that, but they can't force price-sensitive customers to pay those prices.

    By charging wildly different prices for products that have largely the same cost, Starbucks is able to smoke out customers who are less sensitive about the price.

    Starbucks doesn't have a way to identify lavish customers perfectly, so it invites them to hang themselves with a choice of luxurious ropes.


    Harford is niet de man die het heeft over de "demonen" van de vrije markt - maar die via concrete voorbeelden (Starbucks, goedkope vs. dure tweedehands auto's, ...) schetst hoe de keuze van het individu allesbepalend is voor het werken van de economie in een vrije markt:

    The economist knows that the cappuccino is the product of an incredible team effort. Not only that, there is nobody in charge of the team. Economist Paul Seabright remindsus of the pleas of the Soviet official trying to comprehend the Western system: "Tell me ... who is in charge of the supply of bread to the population of London?".

    The question is comical, but the answer - nobody - is dizzying.


    Soms kan ik Harford niet altijd volgen - wanneer hij het bijvoorbeeld heeft over China:

    There have been times in China's history when it has been insular place. This is not one of them. Far from the coast in the inland cities of Xi'an and Zhengzhou we had no difficulty finding Coke, McDonalds, pool rooms and internet cafés. In Shanghai it was almost impossible to escape from familiar brand names.

    't Is toch niet alsof Coca Cola of McDonalds symbolen zijn voor de eeuwige goedheid van de vrije markt, zekers? Toen Irak net "officieel" bevrijd was - zag je op het journaal beelden van mannen die in BMW's in Bagdad rondscheurden en meisjes die voor het eerst naar McDonalds trokken. Betekent dan dat alles OK is? Ik weet het niet.

    Toch: uiterst fijn boek. Ik had eventjes het idee dat ik de wereld beter snapte. Eventjes :)



  • 1999. Op zoektocht naar popmuziek die iets langer kon meegaan dan twee avonden of autoritten, dook de naam Big Star op (dankzij een enthousiast, prikkelend stukje van Bart Steenhaut in de krant). Bleek dat die groep drie volle langspelers had ingeblikt - waaronder deze Radio City.

    Er was iets aan de hand met de foto op Radio City. Een heel eenvoudig beeld: een lamp aan een plafond. Oe-hoe! Maar toch: die rode kleur van dat plafond - daar was iets merkwaardig mee aan de hand.

    Tien jaar later: op een zaterdagavond val ik pardoes in een reportage over fotografie in de 20ste eeuw. En daar verschijnt dat rood plafond opnieuw.

    "Maar ik ken dat plafond!"

    Bleek een foto te zijn van William Eggleston. De beste man bleek het soort fotograaf te zijn die afdrukt op momenten waarop je denkt dat er niets te zien valt. Maar u en ik weten dat er àltijd iets te zien valt. 't Is niet alsof de wereld eventjes stilvalt wanneer je even niets spectaculairs waarneemt.

    En nu viel dit boek me in mijn handen:



    Uitgebracht in een kitscherig boek mét fake gouden belettering. En weet je wat? Het kon niet anders gepubliceerd worden. 't Is de wereld van het familiefotoboek die Eggleston oproept.

    De foto's hier zijn afkomstig uit het Zuiden van de V.S. (maar dat doet er eigenlijk - denk ik - niet zoveel toe), het draait bij Eggleston om het herkennen van patronen. Zonder dat dit expliciet vertoond wordt, ze blijven enigmatisch (neen - dat heeft niets te maken met die Roemeense groep Enigma) na meerdere kijkbeurten.

    Dat zou te maken kunnen hebben met de volgorde waarin Eggleston de foto's plaatste. Je kunt kijken wat je wilt maar je mist altijd iets. De betekenis van de foto's wordt nergens uitgebuit. Wel zijn er steeds die felle kleuren - of die nu agressief of eerder uitnodigend zijn - ben ik nog steeds niet uit:



    Eerst en vooral is er dat motief van haar blouse - dat komt terug in het kussentje op de schommel. Dan is er de schommel zelf - wat ervoor zorgt dat de leeftijd van de dame in kwestie fel wordt gerelativeerd. Iets verderop in het boek toont Eggleston een foto van een vijfjarig meisje dat poseert voor een speelgoedhuisje. Door de compositie van de foto lijkt het alsof het meisje in kwestie al een huismoeder is in een nieuwbouwhuis.

    Je kunt werkelijk àlle kanten uit met Eggleston :)

    • swoondog escribió...
    • Usuario
    • 13 Sep 2010, 9:55


    Wat beweegt een mens ertoe om een boek mee te nemen uit de bibliotheek of boekenwinkel? De tekening of foto op de omslag? Korte samenvatting aan de achterkant? Tip van een vriend, vriendin, familielid of leraar? Kan allemaal. Soms kan het ook gewoon een erg domme reden zijn. Zo kocht ik een maand of 3 geleden Joe Speedboot van Tommy Wieringa zonder goed te weten wat ervan te verwachten. De titel leek me wel leuk, meer niet.
    Net zoals bij ‘De Kleine Blonde Dood’ van Boudewijn Büch. Bovendien stond er tussen de boekenrekken van de Eekse bibliotheek ook nog een roman van diezelfde auteur waarin hij het volgens de achterflap had over zijn liefde voor de muziek van Jagger en The Rolling Stones.
    Zowel ‘Let it Bleed’, ‘Beggar’s Banquet’ als ‘Sticky Fingers’ draai ik tegenwoordig plat. Büch was meteen iemand met wie ik wat gemeen leek te hebben. ‘De Kleine Blonde Dood’ ging dus voor drie weken mee naar huis.

    De moeite? Een twijfelgeval. Het boek zelf roept al wat vraagtekens op, de manier waarop het tot stand is gekomen nog veel meer.

    Maar eerst het verhaal.
    ‘De Kleine Blonde Dood’ zit qua structuur erg losjes in elkaar. Je volgt geen chronologisch verhaal dat zich pagina per pagina ontwikkelt, de roman hangt eerder fragmentarisch aan elkaar. In totaal zijn er 19 hoofdstukken die je kunt opdelen in twee grote groepen: anekdotes over z’n vader en anekdotes over z’n zoontje. Voor sommige lezers werkte dat blijkbaar storend, zelf vond ik de afwisseling wel fijn. Hoe dan ook, met beiden had Büch een speciale band.
    Z’n vader was een uit Duitsland gevluchte Jood in wiens hoofd ook na 1948 de oorlog bleef doorspelen. Met alle gevolgen van dien… In ongeveer elke anekdote die Büch bovenhaalt balanceert zijn vader zowat op de rand van de waanzin en het is ellende troef in hun gezin. Drankproblemen, agressie, wederzijds onbegrip tussen vader en moeder, kinderen die opgroeien in angst,… Van een gelukkige jeugd kan je niet spreken. Het mooie aan die hoofdstukken is wel dat Boudewijn zijn vader nooit echt lijkt te veroordelen wanneer hij erop terugkijkt. Er is begrip. Besef dat zijn vader zelf ook leed.
    Ook de rest van het boek is één en al droefenis, Micky – zijn zoon, ‘die kleine blonde’ – sterft op vijfjarige leeftijd na een hersentrauma. Pijnlijk. Ook voor de lezer. Misschien iets té…
    Al staan er zeker mooie, tedere passages in over bepaalde herinneringen aan zijn zoontje die – ik weet het, dit gaat klef klinken – hartverwarmend om te lezen zijn:

    Boven zijn bed hing een affiche van Mick Jagger. Dat had ik er zelf boven gehangen. Op een keer zei hij – niet tot mijn ongenoegen – ‘Jij lijkt wel een beetje op die man. Hoe heet hij?’
    ‘Mick Jagger.’
    ‘Wat een rare naam,’ en hij rolde van het lachen door zijn bed. ‘Mik Dzjegger, Mik Dzjegger,’ herhaalde hij almaar en moest steeds harder schaterlachen.


    Van dit soort dingen staan er heel wat in. Stukjes waarin hij de kinderlijke onschuld van Micky bijzonder knap wist weer te geven.
    Alleen teveel miserie dus. De stijl is de moeite waard, maar dit is geen boek om nog eindeloze malen te herlezen. Ik kijk ook nooit naar ‘Koppen’ om die reden, sensatie slaan uit je eigen of andermans ellende, het blijft een beetje vies. Dit boek voelde iets te écht, iets te persoonlijk aan…

    Nochtans…

    … is het grotendeels verzonnen. Zo was zijn vader geen Jood, maar een doodgewone Haagse gemeenteambtenaar. En heeft de man – in tegenstelling tot wat in het boek wordt beweerd – nooit zelfmoord gepleegd, maar is hij een natuurlijke dood gestorven. Een hartstilstand in 1975. De vraag rijst natuurlijk in hoeverre er ook maar iets waar is van Boudewijn's zogezegd moeilijke jeugd en het getormenteerde gedrag van zijn vader.
    Ook heeft Büch nooit een zoon gehad. (En is die bijgevolg al helemaal niet gestorven...)
    Tot hier eigenlijk niks mis nochtans. Als schrijver heb je immers het recht om fictie en realiteit met elkaar te verweven. Autobiografische fictie zoals dat heet. Brusselmans, Reve, Hemingway,… er zijn heel wat schrijvers die zo te werk gingen.
    MAAR! Er is een maar. Büch beweerde zelf wél dat zijn werk puur autobiografisch is. In interviews had hij het regelmatig over de dood van Micky en weende daarbij steevast tranen met tuiten. Ook stond er bij hem thuis – zo getuigen de journalisten en fotografen die nog bij hem thuis ontvangen zijn – een ingelijste foto van ‘Micky’ op een kast in de woonkamer. Veel mensen waren er dan ook mee weg. Velen zelfs vandaag nog steeds.
    Je kan argumenteren dat hij wilde bijdragen tot een soort van mythevorming rond zijn persoon, maar het blijft toch wat gewaagd om met thema’s als zelfmoord of kinderdood te spelen. Dat valse verdriet kan bij mensen die zulke dingen echt hebben meegemaakt toch in het verkeerde keelgat schieten…
    Helemaal absurd is het feit dat Büch deze leugens ook aan zijn beste en intiemste vrienden voorhield. Hij loog tegen iedereen. Boven draait ongeveer het gehele oeuvre van de man rond diezelfde thema’s. Zijn volledige leven heeft hij bij elkaar gelogen…
    Een voorbeeld. ‘Micky’ heette eigenlijk helemaal niet Micky en was het kind van een bevriend koppel. Hij schoot erg goed op met het kleine kereltje en hij paste er regelmatig op als zijn ouders teveel om handen hadden. Soms nam hij de jongen – echte naam: Boudewijn Iskander Pronk – mee naar vrienden. Waar hij dan altijd tegenover verklaarde dat het zijn eigen zoon was. Op den duur viel die leugen natuurlijk niet meer vol te houden – hij had bovendien aan een ander bevriend koppel beloofd dat hij ‘Micky’ aan hen zou afstaan voor adoptie – en dus verzon hij de dood van zijn verzonnen zoon. Op de zogezegde crematie nodigde hij niemand uit. Want:

    Deze dood wil ik alleen uitzitten,’ had ik in mijn dagboek opgeschreven.

    Ook toen het kind in het ziekenhuis lag, wou Büch geen gezelschap om hem bij te staan. Geen getuigen dus wederom…
    Boudewijn Iskander Pronk leeft dan ook nog steeds. Alive and kicking. Na de nepdood die enkel in Büch’s hoofd plaatsvond hebben ze elkaar niet meer gezien.
    Een fantast dus, dat is wat Boudewijn Büch werkelijk was. Bijzonder ironisch is in dat opzicht het feit dat hij het in ‘De Kleine Blonde Dood’ o.a. had over zijn periode in een krankzinnigengesticht voor jongeren… waar hij dus nooit heeft gezeten in werkelijkheid.
    (Hij heeft er zelfs een volledig, wederom ‘autobiografische’, roman aan gewijd: ‘Het Dolhuis.’)

    Tot aan zijn dood in 2002 hebben zowat al zijn lezers zijn verhaal volledig gevolgd en geloofd. Een heuse prestatie in feite. Zeker omdat er ook vandaag nog steeds mensen blijven intuimelen. Op die manier bekeken was het boek dus het lezen waard, ben toch op een behoorlijk ongelooflijk en intrigerend verhaal gestoten.
    Al ga ik wellicht nooit nog wat van hem lezen. Jammer dat de man totaal verknipt was, talent om te schrijven had hij zeker.

    En om af te sluiten nog een stukje wikipedia:

    ‘Büchs briefhoofd in de jaren zeventig bevatte fantasierijke neptitels. Hij noemde zich Drs. drs. Boudewijn Maria Ignatius Büch M.L.S. ISDD, c.m. - psychofarmacohistoricus. Volgens Büch sloeg de dubbele doctorandustitel op voltooide studies Duits en filosofie; M.L.S. betekende Member of the Linnaean Society; een 'psychofarmacohistoricus' was volgens Büch gespecialiseerd in de geschiedenis van het drugsgebruik. Büch heeft echter nooit een academische studie voltooid.’

    Gekke man…



  • Ooit maakte ik het mee dat een vrouw hikkend van het lachen bijna van haar stoel viel terwijl Pleysier voorlas uit "Volgend jaar in Berchem". Was dat werk dan een dijenkletser? Niet echt - het boek gaf een weergave van de gemiddelde kerstavond bij een gemiddeld gezin.

    En toch lachte die vrouw dat horen en zien verging. En ik begreep haar - sterker zelfs: een paar zinnen verder was ik aan het meelachen. Pleysier las verder alsof er niets aan de hand was.

    Onlangs hoorde ik hem op de radio in een interview:

    "Mijn personages zijn wat ze zeggen."

    En zo voel je dat ook aan in de wereld van Pleysier. Er worden geen rijk geschakeerde psychologische portretten neergezet - maar Pleysier gebruikt hun spreektaal. En je weet wie die mensen zijn:

    Want eenmaal dat nonkel Wies van tafel is opgestaan en naar buiten gegaan, kan vader zich niet langer nog inhouden.

    "Hebt ge het gezien?"

    "Wat?"

    "Hoe hij weer hopen, nee, bergen suiker geschept heeft!"

    "Nee, niet op gelet"

    "Hoe kunt ge daar nu naast kijken!"

    "Onze Wies is een zoetbek en hij is dat altijd geweest," zo probeert moeder dan haar echtgenoot te sussen, terwijl ze de tafel aan het afruimen is.

    "Al van kindsbeen af. Ik heb nooit anders geweten."


    Pleysier werkt met klanken (pats-pats, klets-klets, pats-pats), ellenlange lijstjes ( ... heb ik gezien hoe er tijdens het spel duchtig gerookt en stevig gedronken werd door de meeste van de kaarters (koffie, trappist van de paters van Westmalle, Corps Diplomatique luxe sigaren van de Alto sigarenwinkel te Turnhout).

    't Is alsof Pleysier die vertrouwde wereld groter maakt door hem te beschrijven. Door extra laagjes vernis aan te brengen. Er details te laten uitspringen.

    "En zo is die herinnering nu verdubbel geraakt tot twee herinneringen: de ene mét woorden, de andere zonder."

    Zo is het, waarover dit boek gaat doet er eigenlijk niet zo veel toe (bon, het gaat over een jongen die net niet verdrinkt) - maar het is zo'n rijk werk dat langs àlle kanten "welkom aan de lezer" roept.

    En dat alles in 112 bladzijden. Roberto Bolano moest het weten ;-)



  • Robert Walser. Ooit las ik zijn "De bediende", een roman waarin een soort omgekeerde Henry Chinaski rondwandelde. Geschreven in een soort hoog sensitief proza, dat me ergens typerend lijkt voor de in het Duits opererende schrijvers rond het begin van de twintigste eeuw.

    Walter Benjamin, Franz Kafka en Robert Walser - ze hebben allemaal volgens mij dat "masochistisch getinte moederskindje"-proza.

    Hier in deze bundel "Liefdesverhalen" (vertaald trouwens door Jeroen Brouwers) wordt het proza van Walser nog scherper poëtisch: het krijgt bijna iets zijigs, het heft zich op terwijl je het leest.

    "Nadat de schrijver van streekromans in een aardig gelegen verversingslokaal koffie had gedronken, en nadat er bovendien nog een portie kaas in hem plaats vond, bewogen de bladeren aan de boomtakken zich alsof ze babbelden, wat een van een zoet gezicht voorzien kelnerin met ongekunstelde verbazing waarnam."

    Leest u bovenstaande alinea nog maar 'ns - dan krijgt u een aardig idee van de Walser-schrijfstijl. Er valt niet eens een verhaal te vinden bij Walser, het lijken wel sfeerschetsen.

    "Nog liever stelde ik me voor als hoedstertje, herderin of jagerin in het bos of in het groene vrije veld in een fladderend fantasiekostuum. Ze bezat esprit, bevalligheid en guitigheid en deed met deze gaven aan de rococo denken."

    Officieel zouden we dit kunnen neerzetten als een bundel over liefdeservaringen, maar dan kunnen we gelijk Ulysses neerzetten als een roman over wandelen.

    Wil ik maar zeggen: mocht Walser geschreven hebben over de courgettes in zijn moestuin - het zou verdomd ook interessant geweest zijn. 't Is de schrijver, die het verschil maakt, niet het thema :)



  • "You don't understand, it's all written in the imperious voice of Deepster McHole-in-the-Ground. I steeped myself in his sources, and then spit them back out - it was like writing a graduate dissertion, something I've spent my life avoiding."

    It wasn't enough to mention sources, Oona had to begin listing them in a deliberate drone.

    "I read Deleuze and Guattari, I read John Gray and E.M. Cioran and Bernhard's correction, I read Mike Davis and Donna Haraway and John Beldessari, I read Ballard and Baudrillard, and by the way, I don't care what anyone says, Ballard's just Baudrillard without the u-d-r-i. I practically memorized "The writings of Robert Smithson", for god's sake, which is the exact equivalent of ordering a month's worth of meals at a restaurant where John Cage is the chef."


    Voilà - welkom in de wereld van Jonathan Lethems "Chronic City", een lappendeken van de merkwaardigste verbanden:

    The Beatles family goes back to Jack Kerouac and Neal Cassady ... There's also a kind of "Less Than Zero" thing about being the Beatles, they're not quite the Beats. There's a kind of Bret Easton Ellis about the whole Beatle phenomenon, and that has to do with the tragedy of John Lennon. Being a kind of Beetle, being a kind of insect in a way ...

    "Losgezongen van de realiteit", hoor ik u denken. Maar eigenlijk lijken bovenstaande zinnen nogal op wat Greil Marcus (dé popcriticus volgens mensen die het (denken) te weten) uit zijn pen liet vloeien over popmuziek. On(be)grijpbare, bijna asperger-achtige zinnen die allerlei linken bevatten naar werelden buiten de popmuziek.

    De Beatles-zin is hier echter een product uit het hoofd van Perkus Tooth. Chase Insteadman (ex-kindster en verloofde van een in de ruimte vastzittende astronaute) ontmoet hem op de burelen van Criterion.

    Onmiddellijk ontwikkelt zich een hechte vriendschap tussen Tooth en Insteadman - die gebaseerd is op het bekijken van oude Marlon Brando-films (die volgens Tooth helemaal niet dood is) en het proberen bemachtigen van een chaldron (een mythische vaas). Op de achtergrond van het verhaal wordt continu bericht over een losgeslagen tijger - die eigenlijk geen tijger is, maar een soort metafoor voor New York.

    "Chronic City" is een boek dat je geweldig wil vinden - er is die vriendschap tussen mensen die een apart universum binnen New York opbouwen - weg van de versnellende stad. En er is natuurlijk dat personage Perkus Tooth - waarvan je meteen weet: "verkeerde mens in de verkeerde tijd".

    Je wilt het geweldig vinden, maar sjonge, sjonge - wat heb ik het op momenten moeilijk gehad met doorwrochte zinnen als:

    By contrast I felt Richard smoldering as he shifted around the room, ruminating through his beard while replacing one DVD with another and crushing white cartons slimed with sauce into a trash bag, his impregnator's pride mengled with something more ambivalent and turgid.

    Op zulke momenten lees je enkel woorden (mooie woorden weliswaar - "flummoxed" - iemand? ;-)) maar je ziet dus niets. En dat komt wel vaker voor in "Chronic City", je beseft dat Lethem zijn best doet om je van het ene steegje naar het andere te loodsen - maar soms lijkt het een weg die eindigt op een muur.

    Misschien is een wisselend leesavontuur soms leuker dan een rechtlijnige leeservaring.



  • Gisteren vond het sp.a-congres plaats waar de centrale vraag was: "Hoe terug naar de 20 procent van 1995?".

    Bas Heijne schreef een week terug een opiniestuk in de krant, waarin hij boudweg stelt dat de huidige rechts populistische golf in Europa te wijten is aan het monddood blijven van links.

    Voor wat staat links eigenlijk? Solidariteit, dacht ik. Toen George Orwell midden de jaren dertig trok naar Spanje om daar te gaan vechten tegen de troepen van Franco schreef hij daarover:

    "En het vreemdste van alles was de aanblik van die massa's. Behalve een klein aantal vrouwen en buitenlanders waren er in het geheel geen "goed geklede" mensen. Praktisch iedereen droeg grove arbeiderskleren, of een blauwe overall, of een variant van het militie-uniform. Dit alles was vreemd en ontroerend.

    Veel ervan begreep ik niet, in sommige opzichten vond ik het zelfs onprettig, maar ik erkende het onmiddellijk als een stand van zaken waarvoor het waard was te vechten."


    Waar is dat naartoe? Want het links dat ik leerde kennen als tiener - liet zich kennen als een gelijkhebberige politieke beweging. Ze waren vooral tégen het Vlaams Blok, er bestond iets als een Blokwatch - en sjonge, wat werd daar gretig mee gesympathiseerd. Want het was correct om tégen extremisme te zijn.

    Maar als je steeds tégen iets bent - hoe weet je dan nog waar je vòòr bent? Je realiseert toch geen solidariteit door iemand op denkfouten te wijzen?

    Gemeenteraadsverkiezingen 2006 te Zelzate. Consternatie in het land - de PvdA verovert zes zetels. PvdA? Waren dat die mensen die nog steeds geloofden in Lenin? Die rode rakkers?

    Thomas Blommaert schreef er een boek over, ééntje dat geënt is op de structuur van "De Kapellekensbaan":

    "Kom binnen, zet u, doet uw frak uit en drink iets. Hebt ge al gegeten?"

    Die stijl dus. Heel direct. Blommaert spreekt met de bevolking van Zelzate, de bewindsmakers en de "rode rakkers". Het zorgt ervoor dat je via Zelzate een breder beeld krijgt op de zichtbare verzorgingsstaat die steeds meer lijkt weg te eroderen (en wie kan dat eigenlijk nog schelen? Liever zijn we bezig met de juiste kleur van onze garagepoort te kiezen).

    Blommaert laat een figuur als meneer Laureys van de RVA aan het woord - iemand die honderden mensen aan een job hielp in de Sidmar-fabriek. CVP-oude stempel maar wél aanhanger van het idee "geneeskunde voor het volk" (waaruit de PvdA groeide).

    Wanneer begin de jaren tachtig het idee wordt geopperd het kanaal Gent-Terneuzen te baggeren en het slib te storten in Zelzate vormt zich een tegenbeweging - Temmerman (de latere burgemeester van Gent) spreekt zich uit tijdens de gemeenteraad te Gent.

    Hij waarschuwt voor sentimentaliteit en demagogie bij de bespreking van het probleem. Ook de werkverschaffing is belangrijk en mocht er een schip vastlopen in de haven, zou deze een slechte reputatie krijgen. Al gaf de Gentse schepen toe:

    "De slibstorting te Zelzate in onaangenaam voor deze deelgemeente."

    Blommaert toont in zijn boek het verschil/de spanning tussen beleid voeren en "wat goed is voor de mensen". Wat is er van belang? Werk verschaffen of welzijn?

    Het rad draait. Het kan niet anders. Wij willen meer zijn dan een werktuig dat zich zo dom eentonig beweegt. Wij willen tango. De koe eet gras, herkauwt, eet weer gras en herkauwt weer tot ze geslacht wordt. Wij willen meer zijn dan een koe. Mensen dansen.

    Vorige week maandag was op de televisie een Nederlandse documentaire te zien over hoe onze verzorgingsstaat er aan toe is. Ik zag een werknemer van Opel Antwerpen die mossels reinigde voor een benefietmaaltijd - in zijn oor stak een ring.

    Gevraagd naar die ring, antwoordde hij eerst ontwijkend om tenslotte te stellen:

    "Mijn grootvader was een boer. Tijdens de vakanties hielp ik de koeien de weg oversteken. In hun oren zat een ring waarop hun nummer te lezen stond. Net zoals bij mij: mijn dienstnummer bengelt aan mijn oor."

    Soms weet je het niet meer. Soms stel je je vragen waar het allemaal naartoe gaat en dan doet het deugd dat je weet dat er nog mensen bestaan die met dezelfde vragen zitten.

    't Is niet veel - maar het maakt veel verschil :)



  • De weerslag van de Tweede Wereldoorlog is (ik ga veralgemenen - pas op) voornamelijk te vinden in proza ("The naked and the dead", "Catch 22", en het werk van W.F. Hermans). De Grote Oorlog doet denken aan Paul Van Ostaijen, Siegfried Sassoon, Wilfred Owen.

    Hoe zat dat met de wisselwerking tussen poëzie en realiteit in de Eerste Wereldoorlog?

    Gelukkig wie gesneuveld is voor 't aardse rijk,
    Zolang 't een oorlog was in dienst van rechte waarden.
    Gelukkig wie gesneuveld is voor een lap aarde.
    Gelukkig wie gesneuveld is, een held gelijk.


    Kwatrijnen die Charles Péguy dichtte in 1913. In dat jaar werd "Le Sacre du Printemps" van ene Igor Stravinsky ook al op de wereld losgelaten. Begin de jaren tien heerste er (wanneer je het achteraf bekijkt) in Europa blijkbaar een soort angst voor het voorbestaan van de "vaderlandscultuur".

    Geert Buelens haalt hier geregeld het werk aan van de Italiaanse D'Annunzio, een Italiaanse zogenaamde "futurist". Een man die hunkerde naar een oorlog - want, aldus D'Annunzio: "Enkel door oorlog kunnen gedegenereerde volkeren hun neergang tegenhouden; oorlog biedt hun zonder fout ofwel glorie ofwel de dood"

    Het lijkt een constante in de werken van de oorlogszuchtige dichters: de hunker naar een nietsontziende strijd die de cultuur vervolgens zou reinigen. Met uw permissie - maar ik vind dat een gedachte die waarschijnlijk enkel kan ontspruiten aan de geest van hopeloos verveelde, hysterisch sensitieve Madame Bovary-achtige types.

    Buelens haalt het gegeven aan dat bij aanvang van W.O. I miljoenen gedichten geschreven werden en trekt - malicieus - de vergelijking met Sinterklaas.

    "Op 5 december worden evenveel gedichten geschreven als bij de aanloop van W.O. I"

    Waarom schrijft een mens een gedicht, vraagt Buelens zich af. Meestal is het om uiting te geven aan een woordloos gevoel - let op dat woord "gevoel", een abstract begrip. Het schrijven van een gedicht heeft (meestal bij de argeloze dilettant) iets te maken met het opzoeken van een staat van verwondering. Geletterde dwaasheid, zeg maar (om eens kort door te bocht te gaan).

    Wat te denken van René De Clercq (schutsheilige van de Vlaamse nationalisten):

    Duitscher, ruk met uw horden
    Zwijgend over den Rijn.
    Broeders willen we worden
    Als ge weer mensch zult zijn.


    Wat voor sentimentele kul is dit eigenlijk? Dat gefoefel met het woord "broeders" - en René blijft doorgaan op dat pad, want iets later:

    "Geen broedertwist zal ooit een Volk verneedren
    Dat grootsch eendrachtig streed voor have en goed.


    Let vooral op die hoofdletter bij het woord volk - wat suggereert dat er daadwerkelijk iets bestaat als een gezamenlijk emotie als vaderlandsliefde.

    Wie moeten we denken van mensen die nu nog steeds hoog oplopen met René De Clercq? Dat dat zoiets is als een dertigjarige die nog steeds gelooft in Sinterklaas?

    Het gedicht heeft ondertussen al lang afgedaan als vehikel voor politieke ideologie, maar soms zou je durven vrezen dat Sinterklaas nog steeds aanwezig is wanneer je Bart De Wever hoort zeggen dat "hij spreekt voor 80 % van de Vlaamse Bevolking".

    Vergelijk trouwens eens de holle dure retoriek van René Declercq met de iets minder glimmende poëzie van Wilfred Owen:

    "Dubbelgevouwen, als bejaarde bedelaars onder zakken,
    met knikkende knieën, hoestend als oude wijven, vloekten we ons door het slijk"


    Wat dit boek zo verdraaid de moeite maakt, laat ik Buelens zelf zeggen:

    "Poëzie vormt hier geen versiersel van en voor estheten, maar een bron van kennis over het verleden en een demonstratie van hoe dat verleden door woorden vorm heeft gekregen."



  • Amper drie jaar ligt er tussen Het konijn op de maan en Kamermuziek, Mennes is ultra-productief geworden, zou je denken.

    Rond 2006 begon het idee te ontstaan dat Mennes het verloren was, want zeg nu zelf: een interval van vijf (!) jaar tussen twee romans - dat was niet normaal meer.

    Het lijkt alsof Mennes tijdens die lange pauze een ander soort schrijver werd. Ja, hij blijft scherp. Ja, die knipoog is er nog steeds. Maar de allesoverheersende ironie van bijtende romans als "Tox" of "Soap" is geëvolueerd richting ironische melancholie.

    In Het Konijn Op De Maan trekt Samuel Penn richting Japan, Osaka om daar (eindelijk) het geluk te vinden bij zijn geliefde Midori.

    Penn was ook al het hoofdpersonage in Kamermuziek, dus we weten dat Samuel een niet al te goed aangepaste dertiger is die een dam opwierp tegen de buitenwereld door zich te verdiepen in Manga-strips:

    "En toen ik Midori leerde kennen, kreeg ik wat mensen "gele koorts" noemen ... Van blanke nerds kon je zeggen dat ze gele koorts hadden wanneer ze zich verloren in manga, anime of alles wat met het clichébeeld van Japan te maken had ... In veel van de films die ik huurde via de videotheek zag je de theeceremonie.

    Daar begreep ik ook geen biet van, maar als je de mensen in die film bezig zag, snapte je dat het een ernstige zaak was. Ik dacht dat groene thee me ook voortreffelijk zou smaken ...

    Het smaakte bitter, een beetje zurig zelfs. Stel je voor dat je gekookt gras in je mond nam, en je komt in de buurt."


    Samuel raakt niet los van het Japan in zijn hoofd. Het Japan zoals het zich aan hem voordoet, zorgt voor een golf van bevreemding:

    in het Daimaru-warenhuis:

    "Het was onmogelijk te zeggen hoe groot de kelder was maar vooral waren kramen met enorme appels die zo uit Walt Disneys Sneeuwwitje leken te komen ...

    Achter elk kraam stond minstens één manisch uitziend vrouwtje. Allemaal zongen ze met hoge stemmen dat we welkom waren. Ik voelde me een staatshoofd dat op bezoek kwam."


    In vorige romans van Mennes konden zijn personages zich redden met ironische bespiegelingen - hier is die ironie ook best aanwezig (een conversatie waarbij een Amerikaan informeert bij een Japanner wat Godzilla nu eigenlijk écht eet, bossanova-versies van Clash-nummers, T-shirts waarop te lezen staat "Mickey Mouse Goes Into Action"), maar hier slaagt Penn er niet in het gevoel van een totale buitenstaander te zijn van zich af te schudden.



  • In een recensie las ik dat "Generation A" nogal te kort schiet op verhaaltechnisch vlak: het suddert wat - het verhaal gaat nergens heen. Laat dat nu eens een typisch kenmerk zijn van een Coupland-roman: het verhaal dient bij hem als een excuus om op te gaan in de Zeitgeist (ik zal straks mijn mond spoelen).

    Laten we toch in 1-2-3-4 toch maar even het verhaal schetsen: in de nabije toekomst worden vijf jongeren (Zack, Julien, Samantha, Diana en Harj) simultaan gestoken door een bij. Redelijk ridicuul gegeven, ware het niet dat men veronderstelde dat alle bijen uitgestorven waren. De vijf worden geïsoleerd door hun respectievelijke regeringen om uit te vissen wat nu zo "speciaal" is aan die jongeren. In hun isolatie beginnen ze maar verhalen te verzinnen ...

    Alle Coupland-ingrediënten zijn aanwezig: een (naderende) apocalyps, personages die terechtkomen in een vreemde omgeving, maar vooral: de niet-aflatende verteldrift van diezelfde personages:

    bijvoorbeeld Harj:

    "I quickly rose through the ranks and was placed in charge of Abercrombie & Fitch American-Canadian Central Time Zone. This occurred because I was able to give fellow workers hints not listed on our official standardized greetings sheet - obvious words like "awesome" or "sweet", and also more subtle phrases such as, "I can tell from your voice that you're totally going to enjoy what you've already bought, and for a limited time only, get two silk-cashmere short-sleeve cable shells for the price of one, plus a fleece pashima wrap at no extra cost. Think about it. You deserve it - and think of how free you'll feel out in the fall air wearing all these hot items."

    I enjoyed helping (I am now quoting an in-house memo) "provide a completely custromer-centric operation by consistently enhancing customer service while trying to gain a better understanding of our customers' shopping patterns and preferences."


    Verhaaltechnisch mag er dan misschien iets mangelen aan Generation A, maar de manier waarop zijn personages zich uitdrukken blijft (naar mijn gevoel) onovertroffen. Ze zijn grappig, ze zijn scherp en er staat geen rem op de fantasie.

    In hun verhalen (titels? "Coffinshark the Unpleasant Meets the stadium of Pain", "The Man Who Lost His Story" of "Bartholomew Is right there at the dawn of Language") draven prinsessen op, kunnen mensen plotseling geen logo's meer herkennen, wordt Superman aangeschreven:

    "Dear Mr. Superman

    We appreciate your willingness to fight crime, but at the moment what we really need is a superhero who can separate transuranium isotopes in the soil of Northern Germany ...

    (Note: you left your thank-you plaque and goodie bag at the dinner table after the presentation ceremony.)"


    Af en toe duikt er een wisecrack op tussen de non-stop nonsens (the more truths you spill out, the more generic you become) - maar het wordt nooit danig erg dat er zogenaamd naar diepe waarheden wordt geboord.

    Generation A is voor Generation X wat Zomer te Ter-Muren was voor De Kapellekensbaan.



  • H. Lowe Crosby was of the opinion that dictatorships were often very good things ... The major point at which his reason and his sense of humour left him was when he approached the question of what people were really supposed to do with their time on earth.

    He believed firmly that they were meant to build bicycles for him.


    Kurt Vonnegut. Ik leerde hem kennen via "Slaughterhouse Five", de roman over de "noodzakelijke" Dresden-massamoord. Zo ging dat.

    Hoe gaat dat? Je leest dat ene beroemde boek en denkt klaar te zijn met een schrijver. Fout. Een jaar of vier, vijf geleden ontdekte ik zijn "Breakfast of Champions" en nu "Cat's Cradle".

    Waar een journalist in eerste instantie een boek wil schrijven over de man die de atoombom op de wereld losliet (Dr. Felix Hoenikker) - raakt hij meer en meer geïntrigeerd door de familie van Hoenikker. Hij komt terecht in San Lorenzo, wordt er verzocht de nieuwe president te worden.

    Huh? Het is handig om niet meteen een rechtlijnig verhaal te verwachten bij Vonnegut. Er wordt gesprongen van de hak op de tak - maar je raakt nooit het noorden kwijt, want Vonnegut helpt de lezer door de hoofdstukken ultrakort te houden. Het boek telt 178 bladzijden, maar bevat niet minder dan 127 (!) hoofdstukken.

    Verdraaid aangenaam bij Vonnegut is dat hij absoluut geen gêne heeft om te entertainen:

    And I remembered The Fourteenth Book of Bokonon, which I had read in its entirety the night before. The fourteenth book is entitled, "What Can a Thoughtful Man Hope for Mankind on Earth, Given the Experience of the Past Million Years?"

    It doesn't take long to read The Fourteenth Book. It consists of one word and a period.

    This is it:

    "Nothing".


    Onder de huidige omstandigheden (klimaattop iemand?) zou je dit boek kunnen zien als een ecologisch bewust boek (helaas geleverd zonder vriendschapswijn). Want: een centraal gegeven in "Cat's Cradle" is Ice-9, de uitvinding van Dr. Hoenikker - een kristal waarmee oceanen stante pede transformeren in ijspistes.

    En (laat ik het einde alvast verklappen en de eventuele lectuur voor u verpesten ;-) ) - jawel - de wereld gaat naar de knoppen in "Cat's Cradle" - maar (o anticlimax) dat gaat niet gepaard met enige vorm van drama. De overlevenden leven gewoon ... verder. Zo gaat dat :)



  • Een zestal jaar geleden bevond ik me in een boekhandel, toen de klant voor mij een tirade afstak:

    "Ze houden de waarheid verborgen. Er zijn geheimen. Maar deze man weet ze te achterhalen, gelukkig bestaan er nog zulke mensen."
    (waarbij hij wees naar het boek "Stupid White Men" van Michael Moore)


    Dit alles oreerde hij met een stelligheid alsof hij het PvdA-programma verdedigde ten opzichte van inwoners van Sint-Martens Latem. Hij begeleidde zijn spreken met het repetitief neerploffen van zijn rechterhand op de balie, op die manier ieder woord een extra visuele ondersteuning meegevend.

    De verborgen waarheid. Hoe lang wordt er nu gebruik gemaakt van die evergreen? Sinds de mens uit de zee kroop?

    De politiek bedriegt ons. De garagehouder houdt ons voor het lapje. Onze partners schaatsen scheef. In school werden ons enkel dingen bijgebracht om mee te draaien in het systeem. En ga zo maar verder door ... helemaal alleen blijven we achter in een poel van leugens.

    Wie helpt ons toch dat onrecht te bestrijden? Wel, dat moet de ridder op het paard zijn. De desperado die op zoek trekt naar die ene waarheid.

    Ik stel het pontificaal, maar het product waarheid is booming business. Zo is dit werk van Joris Luyendijk een poging om het toneel achter de schermen van de Nederlandse politiek bloot te leggen.

    Luyendijk geeft in dit boekje een verslag van zijn bestaan als Nieuwspoortrapporteur. Nu is die nieuwspoort een informele en exclusieve (let op dat woord) ontmoetingsplek voor journalisten, politici, voorlichters en lobbyisten. In andere woorden: de nieuwspoort is voor politici & journalisten wat Benidorm is voor gepensioneerden tijdens de wintermaanden.

    Je zou uit de belevenissen in de nieuwspoort een thriller kunnen distilleren (zoals Hugo De Ridder bijvoorbeeld deed met "Sire, geef me honderd dagen" die het relaas brengt van de vorming van Dehaene I) - maar Luyendijk gaat voor de naakte feiten:

    "Nu ben ik opgeleid als antropoloog, en dus getraind en geneigd om groepen mensen te analyseren als stammen. Zo'n stam heeft een hiërarchie, en wordt bij elkaar gehouden door codes, taboes en mythes, en een gedeeld idee van wat "normaal" is ...

    Ik besloot voor deze rapportage als antropoloog te werk te gaan."


    Het zou een leuke insteek kunnen zijn, het probleem is echter met dit boek dat er dingen verteld worden over de werking van het politieke bestel die ik of min meer vermoedde, samen met miljoenen andere burgers. Zoals:

    In interviews moet je het initiatief grijpen, zeggen mediatrainers. Kijk wat de interviewer wil horen, en zoek dan de gaatjes waarin je jouw verhaal kwijt kunt. Antwoord op een vraag: "Natuurlijk is dat wel belangrijk, en wel omdat ..." En dan houd je jouw eigen verhaal. Als je klemzit, kun je het gesprek naar een hoek trekken waar jij een "kennismonopolie" hebt ...


    Welke geïnterviewde is eigenlijk geïnteresseerd in een fair & balanced
    vraaggesprek? Is het niet zo dat iedereen zijn eigen versie van de waarheid prefereert boven een andere interpretatie? Eigen waarheid eerst. Zit dat niet altijd zo?

    "Wanneer een politiek leider een cruciale toespraak moe houden, bijvoorbeeld op het ledencongres, neemt hij de speech soms van tevoren op. Daarna wordt een groepje gewone mensen bij elkaar gezet van wie het ingehuurde communicatieadviesbureau hoopt dat ze representatief zijn. Dit heet een "focusgroep"."

    Wanneer een elfjarige een spreekbeurt wil houden over zijn favoriete huisdier - gaat hij die heus wel voorbereiden. Terwijl vader, moeder en nonkel Nest plaatsnemen als aandachtige toehoorders. Daar is toch niets gruwelijk aan?

    Is het misschien eerlijker dat een politicus niet uit zijn woorden raakt?

    En zo bevat dit boek wel meer zaken: dat er lobbyisten rondwandelen die kamerleden proberen te beïnvloeden (wie had dat nu gedacht?), dat de lijsten van de CDA worden opgemaakt op basis van het aantal media-optredens (de lokale bakker van 't dorp die destijds op de lijst van de CVP verscheen had waarschijnlijk niets te maken met populariteit - maar neen).

    't Is verdorie spijtig dat dit boek verscheen, dat Luyendijk er niet meer aan schaafde (wat hij in zijn nawoord dan ook toegeeft - er dient brood op de plank te komen). Want zoals dit boek zich nu laat lezen, lijkt het mij eerder een pleidooi voor populisme ("Zie je wel, 't is allemaal corrupt en geregeld") - dan een uitdieping van hoe populisme ontstaat.

    Of ik heb dit allemaal verkeerd gelezen. Kan ook :)



  • Op televisie wordt iets gespeeld met een Te-de-de-dom-dom-dom-melodie.

    Mogen we kroketten eten?

    Neen - eerst 't Oostenrijks nieuwjaarsconcert bekijken, manneke

    De melodie was afkomstig uit de Radetzsky-mars. Associatie: zondagmiddagvisites, waar verveling zich in gelijke delen mengde met sigarenrook. Een mars die de vergane glorie van de Oostenrijkse monarchie weergalmt - maar vergane glorie is nog steeds glorie, nietwaar? Ergo: interessant materiaal.

    Frank Westerman probeert in Dier, bovendier de geschiedenis te traceren van Conversano Primula, een lippizzanerhengst. Inderdaad: een lippizzaner, het paard dat niet draaft of loopt - maar schrijdt. Hét paard dat aan het Weense hof het mooie weer maakte. Juist - vergane glorie.

    Dier, bovendier steekt nogal vals traag van wal, met Westerman die persoonlijke anekdotes ophaalt. Allemaal heel treffend neergeschreven - daar niet van - maar na een bladzijde of tien ga je jezelf (ik toch) afvragen:

    "Zeg 'ns - Frank. Ga je ons nog 'ns wat vertellen over de geschiedenis van die paarden of ga je blijven doorschrijven over die middagen op de manège?"

    Tot wanneer je beseft: Westerman gebruikt die persoonlijke anekdotiek om de lezer in het eigenlijke verhaal binnen te lokken. Want ik weet niet hoe dat met u zit: maar wanneer ik woorden, begrippen en eigennamen hoor als Gregor Mendel, nature vs. nurture en 1000 Genomes Project hoor, denk ik:

    "Waarschijnlijk ga ik hoogst interessante weetjes naar boven vissen - maar laat ik dat maar 'ns op een ander moment lezen" - en dat ander moment komt natuurlijk *nooit*.

    En daar bevindt zich de enorme kracht van Frank Westerman, door zijn vertelkracht sleept hij je binnen in de wereld van Gregor Mendel (de man die via een erwtentuintje en toegepaste statistiek de poort opende voor genonderzoek) - toont Westerman aan hoe de nature vs. nurture-discussie een deel van de kern vormde van het communistische gedachtegoed. Hoe Tito in het Joegoslavië na W.O. II een nieuw volk wou creëren ("Daarom werkte hij aan de genese van een nieuw volk dat zich niet langer Sloveen, Montenegrijn, Albanees of Serviër zou voelen, maar sec Joegoslaaf").

    Ik geloof dat Westerman ooit 'ns zei dat er voor hem geen verschil diende te bestaan tussen fictie en non-fictie maar wel tussen frictie en non-frictie.

    Hier is dus frictie aanwezig. Westerman is gebeten om te weten ;-)

Los usuarios anónimos no pueden escribir mensajes. Para participar en los foros inicia sesión o crea una cuenta.